Over het "nieuwe" orgel.

Een nieuwe periode breekt aan voor de Hervormde Gemeente te De Krim. Een periode waarin gebruik word gemaakt van een nieuw orgel, de gemeente waardig. Dit 2e deel van het orgelboekje gaat over het gerestaureerde orgel, waarin historie en toekomst de ruimte krijgen. Het begin van een nieuwe tijd waarin de goede en minder goede herinneringen aan het “oude Johannusorgel” weldra verleden tijd zullen zijn.

Sinds de oprichting en samenstelling van de plaatselijke orgelcommissie in januari 1996, is veel werk verzet om tot de aanschaf van een nieuw orgel te komen. Veel instrumenten in even zoveel kerken zijn bekeken, beluisterd en bespeeld, even zoveel orgelmakers-restaurateurs zijn benaderd en diverse offertes zijn doorgespit, om in het kader van het beschikbare budget een volwaardig orgel te verkrijgen.

In de fa. Feenstra heeft de orgelcommissie een goede partner gevonden. Met kennis van zaken en veel liefde voor het vak, is het nu aanwezige orgel op een schitterende wijze voor de Hervormde Gemeente van De Krim gerestaureerd; tijdens deze restauratie zal blijken dat John Banfield de bouwer is van dit prachtige instrument.

John Banfield (1833-1924) was een leerling van de vermaarde Engelse orgelmaker J.C. Bishop. Hij begon zijn werkzaamheden in diens werkplaats, alwaar hij voor het luttele bedrag van 2 shilling per week op de loonlijst kwam. Zes jaren later werd zijn “salaris” aangepast, en ontving hij per week een bedrag van 1 pond, 5 shilling en 6 pence. Na verloop van tijd verliet Banfield de fa. Bishop, om met de daar opgedane kennis en vaardigheden, een eigen orgelmakerij te starten in Birmingham, in het jaar 1833.

Het toonaangevende muziektijdschrift The Choir beschreef in een artikel d.d. 27 juli 1878 bet orgel in St. Georges Church te Redditch. Zeer lovend spreekt men over de kwaliteit van de gebruikte materialen, begeesterd is men van de muzikale kwaliteiten van het orgel, de bouwers krijgen de hoogste eer die men in vakkringen kan ontvangen. Ook in andere beschrijvingen van orgels door Banfield gebouwd, spreekt men over de excellente kwaliteit van Banfields werk.

Het gerestaureerde orgel in de Ned. Herv. Kerk in De Krim getuigt van de kwaliteiten van Banfield. Toen de restaurateurs in Engeland met het instrument kennismaakten, verkeerde het in deplorabele toestand. Het orgel was nauwelijks bespeelbaar en de windkanalen, balgen en windladen waren zo lek als een mandje. Het pijpwerk verkeerde in een zeer vervuilde staat, en de traktuur functioneerde niet naar behoren. Toch hebben de restaurateurs de kwaliteiten en historische waarde van dit orgel naar waarde weten te schatten. Bij de demontage van het instrument kwam een aantal delen te voorschijn, waaronder het ont­brekende pijpwerk van de Sesquialtera en de speelhulpen van het Great.

In “A Gallery of Organs” verhaalt Rodney Tomkins de summiere lot­gevallen van dit orgel:

“Dit instrument verkeerd in bedreigende omstandigheden! Het is met ondenkbaar dat dit instrument de publicatie van deze gegevens niet overleeft.” (1987). Het dan aanwezige naamplaatje vermeld: “Uitgebreid en herbouwd door de Kingsgate Musical Instruments Co. Ltd.4, Southamton Row, London WCI”.

De kerk waar het orgel eerder opgesteld stond is gebouwd in 1902. De opstelling, front, dispositie etc. stamt uit dezelfde periode. Vermoedelijk is het instrument afkomstig uit een kapel in Leicester. Het Great (hoofdwerk) is waarschijnlijk van vroeger datum; diverse details suggereren dat dit werk stamt uit 1860. Als vermoedelijke bouwer wordt de fa. Lloyd and Dudgeon te Nottingham genoemd.

Het Swell (bovenwerk) lijkt een toevoeging te zijn van later datum. Dit valt op te maken uit het pijpwerk, dat waarschijnlijk uit de midden-Victoriaanse tijd stamt. Een deel hiervan is echter van vroeger datum. Een verwijzing geeft de schrijver naar de bijzonder fraaie Cornopean. Het is dan ook het "Great" dat historisch gezien het meest interessante aan het orgel is.

Aan het slot van zijn artikel memoreert Rodney Tomkins aan de uit­voering van de "Messiah" in 1981, waarbij hem de eer te beurt viel de orgelbegeleiding te mogen verzorgen. Hij is dan zeer geïmponeerd door de volle klankrijkdom van het instrument, ondanks de slechte staat waarin het destijds verkeerde. Dit geeft wel aan dat het heel goed voor te stellen is, hoe heerlijk en glorieus het orgel na restauratie zal klinken.

En dan: het is ontmoedigend te bedenken, dat dit instrument bijna zeker gedoemd is ten onder te gaan, teneinde door een elektronicum te worden vervangen. Verheugend is dan de wetenschap dat dit prachtige instrument na een piëteitsvolle restauratie in De Krim het elektronicum gaat vervangen, dat hier ruim 20 jaar toch goede diensten heeft gedaan.

In de situatie waarin het instrument werd aangetroffen, was het orgel in een zogenaamde "open opstelling" geplaatst. Van een orgelkas was geen sprake. Het was dan ook zaak hierin te voorzien. In de met Feenstra gevoerde gesprekken werden twee serieus te overwegen mogelijkheden aangedragen:

a:            een nieuw te maken orgelkas, uitgevoerd in licht eiken, al dan met van een kleur of laklaag voorzien:

b:            het instrument onder te brengen in een door de orgelmakers aangekochte historisch mahonie kas, gebouwd door G.P. England in 1819, wat in historisch licht bezien, de mooiste oplossing zou zijn.

Aldus geschiedde...

Wanneer de orgelcommissie voor de eerste keer de werkplaats van de fa. F.R. Feenstra bezoekt, wordt duidelijk dat er heel veel restauratiewerk moet worden verricht. Van dichtbij bezien wordt men geconfronteerd met een enorme hoeveelheid delen die geordend, maar vooral gerestaureerd moeten worden.

Door de restaurateur, orgelcommissie en begeleider wordt een plan opgesteld. en een aanvang gemaakt met de werkzaamheden.

Front en kas.

De mahonie kas van G.P. England dateert uit 1819 en is gemaakt van Spaans mahonie. Het front bestaat uit 4 torens, met 3x 2 boven elkaar gesitueerde tussenvelden, met onder iedere toren een sofiet.

De afmetingen zijn: hoogte 5.90 m, breedte 3.80 m en diepte 2.00 m. Enkele ontbrekende panelen en lijsten zijn in stijl bijgemaakt. Enige discussie is gevoerd over het al of met toepassen van het oude front­pijpwerk, maar vanwege de zeer slechte staat, is besloten nieuw pijpwerk bij te laten maken door Stinkens te Zeist naar Banfield factuur, het oude pijpwerk wordt opgeslagen in het kerkgebouw.

Enige onduidelijkheid betrof het ronde ornament met kruisafbeelding middenboven in de kas. Tijdens naspeuringen werd duidelijk dat dit deel niet origineel is en in een latere periode is aangebracht. Naar alle waarschijnlijkheid had G.P. England hier een uurwerk gesitueerd. Door de orgelrestaurateurs is voorgesteld dit ornament te vervangen en hiervoor een uurwerk in stijl te laten maken. Ook hier wordt dan weer blijk gegeven van de kennis van de Engelse orgelhistorie, want aan de hand van diverse gegevens werd duidelijk, dat het aanbrengen van een uurwerk in het front regelmatig voorkwam.

Bokwerk en windvoorziening.

Het oude bokwerk was vanwege zijn beperkingen met geschikt om opnieuw gebruikt te worden, en is derhalve vervangen door een nieuw gemaakt bokwerk van kwartiersgezaagd pitchpine. De verbindingen zijn verlijmd en geborgd met de originele bouten en moeren van het oude werk. De bijbehorende magazijnbalg is onder de Great-lade gesitueerd, en heeft in- en uitspringende vouwen. Het boven- en onderblad waren gescheurd en zijn vervangen door nieuw gemaakte bladen van sugarpine. De oude belering is verwijderd en vervangen, de naden zijn dubbel beleerd. De balgdekken en het overdrukventiel zijn eveneens van nieuwe belering voorzien. De windkanalen zijn van sugarpine, de conducten zijn van lood gemaakt, en waar nodig vernieuwd.

De windladen.

Bij de demontage van de Great-lade wordt een verrassende ontdekking gedaan. Op een balk in deze lade blijkt een goed geconserveerde perkamenten naamplaat bevestigd te zijn, waarop de naam van de bouwer en het bouwjaar zijn vermeld.

De staat van de lade bevestigt wederom het vakmanschap van Banfield. Scheuren en naden komen nauwelijks of niet voor. Om klimatologische problemen in de toekomst te voorkomen, worden de laden na het vlakken voorzien van hechthouten dekplaten (Bruynzeel 6 mm) en zijn onder de pers gelijmd. De scheien bestaan uit 2 verlijmde stroken sugarpine, nerfrichting tegengesteld (origineel). De cancellen zijn ingegoten. Ook hier werd geconstateerd dat van lekkage geen sprake is geweest. De ventielen zijn eveneens van sugarpine en worden na het vlakken voorzien van nieuw schapenleer.

De ventieldraden worden door een messingstrip geleid, pulpeten ontbreken (dit is ook in de Nederlandse orgelhistorie niet ongebruikelijk en het geheel sluit perfect af. De dammen en slepen zijn van mahonie en voorzien van hexen c.q. Spaanse ruiters. De ronde stempels zijn van eiken, de roosters van sugarpine. De ventielkasten worden afgesloten door opliggende voorslagen en zijn opnieuw beleerd. Waar nodig zijn de stokken en roosters hersteld en daarna allemaal met uitgekookte lijnolie behandeld. De later aangebrachte pneumatiek van de pedaallade is verwijderd, deze is weer mechanisch gemaakt. De stokken, stempels en roosters zijn nieuw.

Al het draadwerk, oogjes en veren zijn vernieuwd (draadwerk en oogjes van messing).

De traktuur.

De ijzeren delen van de registertraktuur zijn gerestaureerd en waar nodig in stijl vervangen. De onder het orgel gevonden delen van de mechanische speelhulpen

(2 treden) zijn hersteld en opnieuw aange­bracht. Ook de Skelterde is in ere hersteld, zij het dat de balanstrede met origineel was; derhalve is een bij het instrument passende constructie toegepast. (drie stappen: open, halfopen en gesloten)

De klaviatuur.

De klavieren bevinden zich onder het front, aan de voorzijde van het orgel.

De bakstukken zijn van notenhout. De handklavieren zijn uitgevoerd als balansklavier, de boventoetsen ebbenhout, de ondertoetsen ­zijn voorzien van ivoor. Aanvankelijk lag het in de bedoeling de ondertoetsen van beenbeleg te voorzien, maar na reiniging bleek ivoor in een dermate goede conditie te verkeren, dat is gekozen voor herstel, het ivoor is gepolijst. Aanslagkussens, vilt en belering zijn vervangen.

Het pedaalklavier verkeerde in zeer slechte staat. daarom naar Banfield factuur bijgemaakt in mahonie. De registerknoppen waren met meer uniform. Waarschijnlijk zijn deze door diverse herstelwerkzaamheden in de loop der tijd provisorisch bijgemaakt. Omdat ook hier teveel verschillen optraden in uitvoering is besloten deze ­nieuw bij te laten maken door Harrisson & Londen. De registerknoppen zijn in palissander uitgevoerd en voorzien van nieuwe in stijl gemaakte registerplaatjes, handmatig gegraveerd.

Het pijpwerk.

Het front- pijpwerk heeft vanwege zijn deplorabele toestand een brede discussie opgeleverd. Het originele pijpwerk is belegd met bladgoud en voorzien van beschilderingen, welke eveneens gerestaureerd dienden te worden. Bij het onderzoek van deze beschilderingen, bleek dat deze met origineel waren. In een latere periode zijn de pijpen opnieuw van bladgoud voorzien met nieuwe beschilderingen. De originele beschil­deringen bleken vrijwel onherstelbaar be­schadigd te zijn en mede door de slechte staat van de pijpen, is besloten nieuw front­pijpwerk te laten maken volgens factuur van Banfield. Door de Fa. Stinkens te Zeist is de legering van het pijpwerk geanalyseerd (70% tin) en bijgemaakt. Het overige pijpwerk is van wijde mensuur (labi­alen). Het klankbeeld is prachtig, de versmelting is voortreffelijk, de register-combinaties zijn talrijk.

Bron: K.Pasveer (e.a.): John Banfield Orgel Nederlands Hervormde Kerk